De twee belangrijkste vragen binnen het osteopathisch wetenschappelijk onderzoek zijn: “Werkt osteopathie?” en “Hoe werkt het?”
De eerste vraag is er één naar de effectiviteit en de efficiëntie van de osteopathie als een vorm van geneeskunde en wordt het best beantwoord aan de hand van klinisch onderzoek. Het is ook een belangrijke vraag met betrekking tot de erkenning van de osteopathie door de gemeenschap.
Een wetenschappelijke methode die bij het beantwoorden van deze vraag aangewezen is, omdat ze het best aansluit bij dat waar we in de praktijk voor staan is de pragmatic (randomized) clinical trial [1] [2] [3](PCT). Hierbij wordt een vergelijking gemaakt van osteopathie met een referentiebehandeling (“gold standard”), met geen behandeling, of met beide.
Zonder ons hier te willen verdiepen in de pro en contra’s van dergelijk onderzoek zijn we ervan overtuigd dat de PCT het best beantwoordt aan de osteopathische principes. Het is in eerste instantie belangrijk om de effectiviteit van osteopathie bij verschillende klachten/ziekten/syndromen na te gaan, zonder meteen de precieze componenten te willen kennen van de osteopathische interventie die verantwoordelijk kunnen zijn voor het geobserveerde verschil tussen de onderzochte groepen[4].
Bij het doorvoeren van een klinische studie dient men idealiter te kiezen voor zowel objectieve alsook subjectieve “outcome data” bij het beoordelen van het effect van een osteopathische behandeling. Het is belangrijk om niet enkel de parameters te evalueren met betrekking tot de ziekte maar ook die met betrekking tot de persoon (“quality of life”).
Daarenboven lijkt het ons eveneens belangrijk om klinisch onderzoek multicentrisch door te voeren, zodat niet zozeer het effect van een osteopaat maar dat van de osteopathie wordt onderzocht.
Wanneer men maximaal rekening wil houden met de onderliggende osteopathische principes bij het doorvoeren van klinisch osteopathisch onderzoek, blijven er weliswaar nog enkele specifieke vragen open. In de onderstaande lijst worden slechts enkele vragen, aandachtspunten maar ook mogelijke oplossingen opgesomd:
- De osteopaat focust zich op de patiënt en niet zozeer op de pathologie; in de behandeling focust de osteopaat dan ook op een verbetering van “functie” en is ze salutogenetisch [5] georiënteerd. Dit rechtvaardigt, contradictorisch met wat hiervoor werd gestipuleerd, niet volledig het opzet van voornamelijk pathogenetisch geörienteerde onderzoeksvragen zoals: “Wat is het effect van een osteopathische behandeling bij …” (hier worden dan alle mogelijke pathologiën en/of syndromen opgesomd).
- Bij het doorvoeren van onze PCT’s is het misschien wenselijk om van de eerder genoemde “black box benadering” zo veel mogelijk over te gaan naar een “open box benadering”. In deze open box benadering, geeft de osteopaat een, mogelijk uitvoerige, indicatie of rechtvaardiging van zijn therapeutisch handelen bij de patiënten uit de proefgroep [6]. Dit zonder evenwel “ICD-like” criteria [7] te willen nastreven voor de osteopathie, omdat dit contradictorisch is aan de osteopathische principes en ook niet overeenstemt met de klinische praktijk (zie eerste punt).
- Behandelingen zijn enkel zinvol als ze de patiënt op een nieuw, beter functioneel niveau brengen, niet als ze enkel maar een symptoom verzachten. Brengen we onze patiënt werkelijk op een gezonder niveau? Hoe dient ons klinisch opzet te zijn en welke parameters zijn zinvol om dit na te gaan?
- De outcome data dienen doelbewust gekozen te worden (“surrogate, intermediate, long term outcomes”) en dienen aan te tonen in welke mate de onderscheidende aanpak van de osteopathische geneeskunde haar bijdrage levert aan de gezondheidszorg.
- …
Het Europees onderzoek binnen de osteopathie wordt heden, voornamelijk uitgevoerd in het kader van een afstudeeropdracht van studenten in de osteopathie (DO en/of MSc-thesis). Hoewel de vraag naar klinische studies zeer groot is en ook van politiek groot belang voor onze beroepsgroep, is het om verschillende redenen niet altijd evident om dit soort van onderzoek over te laten aan studenten. Men heeft als beginnend osteopaat meestal niet de praktische vaardigheden om dit soort van onderzoek uit te voeren (tenzij men de behandelingen laat uitvoeren door een meer ervaren osteopaat); het rekruteren van patiënten is niet steeds eenvoudig en kan het onderzoek soms vrij lang laten duren waardoor het buiten het tijdsbestek van de opdracht valt; meestal dient men een grote patiëntenpopulatie te hebben; …). Dit soort van onderzoek spreekt vele studenten erg aan, omdat het zeer nauw aansluit bij de alledaagse praktijk. Desalniettemin willen we hier zeer terughoudend optreden en meer passend onderzoek voorstellen, zoals methodologisch en basiswetenschappelijk.
Een gebied binnen de osteopathie dat zeker nog verder moet ontgonnen worden met betrekking tot de vraag: “Werkt osteopathie?” is dit van de diagnostiek. Meer specifiek: de palpatie en alle mogelijke diagnostische tests. Hiervoor is nog heel wat methodologisch onderzoek vereist (“inter- and intrarater-realibility studies”). Ook de validiteit van diagnostische en therapeutische technieken dienen op deze manier onderzocht te worden.
Om tegemoet te komen aan de politieke verzuchtingen die samengaan met een relatief jong maar vooral een nog onconventioneel (lees ook te weinig georganiseerd) beroep als de osteopathie is er ook nood aan sociologisch onderzoek. Onderzoek zoals in de UK met de “Standardised data collection within osteopathic practice in the UK” (SDC-Project) [8] en The Osteopathic Survey of Health Care in America (OSTEOSURV) in de USA [9], zijn een belangrijk middel om het beroep beter in kaart te brengen en ons een idee te geven betreffende data rond een evenwichtige toegang tot de osteopathische zorg, de kwaliteit van de osteopathische zorg, de klinische resultaten van die zorg, de rol van de osteopaten in de gehele gezondheidszorg, de mogelijk kostenbesparende functie van de osteopathie en de invloed van osteopathie op het ziekteverzuim. Maar ook betreffende de veiligheid en de mogelijke neveneffecten van de osteopathie dient er nog heel wat werk te worden verricht. Daarenboven kan dergelijk onderzoek beslist ook aanleiding geven tot nieuwe onderzoeksvragen zoals dit ook het geval was bij het SDC-Project.
Zeer belangrijk is dat dit sociaalwetenschappelijk onderzoek doorgevoerd wordt met gestandaardiseerde en gevalideerde vragenlijsten. Een internationale samenwerking is hiervoor onontbeerlijk.
De tweede vraag: “How does it work? kan het best beantwoord worden aan de hand van basiswetenschappelijk onderzoek in de osteopathie. In het kader van de zoektocht naar klinische evidentie dreigt onze betrokkenheid met relatie tot het fundamenteel onderzoek nogal eens snel in de vergetelheid te geraken. Er dient gestreefd te worden naar een gezond evenwicht tussen klinisch en fundamenteel onderzoek. Dit enkel al vanwege het feit dat er vanuit het fundamenteel onderzoek misschien wel een heleboel nieuwe inzichten kunnen aangeboden worden, die de manier waarop we klinisch onderzoek bedrijven en/of de soort van parameters, meetinstrumenten en dergelijke, kunnen beïnvloeden.
Antwoorden op deze vraag zorgen ook voor een beter inzicht in de werkingsmechanismen en het mogelijk effectiever en efficiënter maken van de osteopathische zorg. Daarenboven kunnen er met betrekking tot het klinisch onderzoek nieuwe hypothesen geformuleerd worden of kan er zelfs uitsluitsel gegeven worden van welk aandeel en/of welke aanpak nu precies doorslaggevend is geweest in ons “totaal (holistisch) pakket van osteopathische zorg” zoals aangeboden in onze dagelijkse praktijk.
Voor zowel het klinisch alsook het basiswetenschappelijk onderzoek streven we naar een omvattende omkadering in projecten, waarbij dezelfde methodologie multicentrisch kan uitgewerkt worden. Dit zal de beroepsgroep toelaten om publicaties met meer wetenschappelijke waarde te kunnen aanbieden.
Laat ons samenwerken om dit waar te maken in het belang van ons beroep.
Patrick van Dun, DO
Voorzitter Committee for Osteopathic Research
[1] MacPherson H., Pragmatic clinical trials, Complementary Therapies in Medicine, 2004; 12: 136-140
[2] Kane M., 2004; Research made easy in Complementary & Alternative Medicine, Churchill Livingstone
[3] http://www.gezondheidsraad.nl/nl/adviezen/alternatieve-behandelwijzen-en-wetenschappelijk-onderzoek#a-downloads
[4] Cardini F. and Weixin H., Moxibustion for correction of breech presentation: a randomised controlled trial, J.Americ.Med.Assoc., 1998; 280 (18): 1580-1584
[5] Salutogenese, zoals geformuleerd door de Israëlische socioloog Aaron Antonovsky, kan als tegenhanger gezien worden van “pathogenese” dat reeds driehonderd jaar als paradigma geldt binnen de allopathische geneeskunde. Bij zijn onderzoek introduceerde Antonovsky dit nieuwe begrip als het ontstaan/de oorsprong van gezondheid. Zijn belangrijkste conclusie was dat er een sterke verbinding is tussen lichaam en geest, waarbij het erom gaat dat iemand het gevoel heeft dat er een samenhang (Sense Of Coherence) in zichzelf en in het leven is.
[6] Wiegant F., Kramers W. and van Wijk R., 2002, The importance of patient selection. In Lewith G., Wayne B.J. and Walach H. (Eds.), Clinical Research in Complementary Therapies: Principles, Problems and Solutions, (p. 159-160), Edinburgh, Churchill Livingstone
[7] International Classification of Diseases (ICD)
[8] http://www.osteopathy.org.uk/uploads/standardised_data_collection_finalreport_24062010.pdf
[9] Licciardone J.C., Kearns C.M., Ruggiere P., Background and Methodology of the Osteopathic Survey of Health Care in America 2010 (OSTEOSURV 2010), JAOA, 2011; 111 (12): 670-684

Lopende onderzoeksprojecten